
Magazijndashboard: 15 KPI’s, formules en alarmgrenzen
Volg 15 magazijn-KPI’s met vaste formules, passende meetfrequenties en indicatieve alarmgrenzen. Koppel elke afwijking aan een concrete operationele actie.

De belangrijkste aandachtspunten
VMI, SMI, gezamenlijke bevoorrading (in dit artikel aangeduid als GPA) en pooling zijn vier modellen voor samenwerking bij bevoorrading. Ze verschillen in wie beslist, wie eigenaar is van de voorraad, hoeveel gegevens partijen delen en welke rol elke partner heeft. Voor een succesvolle inrichting zijn gezamenlijke afspraken en betrouwbare gegevensstromen de basis.
VMI, oftewel Vendor Managed Inventory, betekent dat de leverancier de voorraad aanstuurt. TechTarget definieert VMI in december 2023 als een methode waarbij de leverancier de voorraad bij een retailer optimaliseert en de bevoorradingsbeslissingen neemt. Een beknopte vakinhoudelijke uitleg staat ook in het begrippenoverzicht Vendor Managed Inventory.
SMI, oftewel Supplier Managed Inventory, ligt dicht bij VMI: de term benadrukt de rol van de leverancier vanuit het perspectief van de afnemer. In de praktijk worden beide termen vaak door elkaar gebruikt. Contractueel kan er wel verschil zijn tussen een leverancier die bevoorrading voorstelt, daarover beslist of deze uitvoert.
Bij gezamenlijke bevoorrading, internationaal ook aangeduid als collaborative replenishment en hier als GPA, staat samenwerking nadrukkelijker centraal: leverancier en retailer leggen samen de rekenregels, goedkeuringsstappen en uitvoering vast. Het begrippenoverzicht over gezamenlijke bevoorrading licht dit model verder toe.
Pooling draait om het delen van middelen: meerdere partijen delen voorraad, transport, distributiecentra of logistieke capaciteit. Pooling kan GPA of VMI aanvullen, maar heeft een ander doel. Het begrippenoverzicht pooling beschrijft deze vorm van samenwerking.
Bij leveranciersgestuurde bevoorrading kan de leverancier verschillende verantwoordelijkheden overnemen: voorraad bewaken, behoeften berekenen, orders voorstellen, verzendingen initiëren, logistieke eenheden optimaliseren of leveringen afstemmen met een 3PL. De doorslaggevende vraag is dus niet alleen ‘wie plaatst de order?’, maar vooral ‘wie beslist, met welke gegevens, volgens welke regels en met welke uitzonderingen?’.
Het voorraadeigendom moet expliciet zijn vastgelegd. De klant kan de voorraad bij ontvangst kopen, de voorraad kan tot het verbruik als consignatievoorraad eigendom van de leverancier blijven, of partijen kunnen een andere contractuele regeling afspreken. Zonder duidelijke afspraken kan een VMI- of GPA-project onduidelijkheid veroorzaken over de verantwoordelijkheid voor voorraadtekorten, overtollige voorraad, ontvangstverschillen of incourante voorraad.
Een leveranciersportaal kan de gegevensuitwisseling centraliseren en de onboarding vereenvoudigen, maar is niet altijd voldoende om gezamenlijke bevoorrading op schaal te organiseren. VMI, SMI en GPA vereisen regelmatige gegevensstromen over voorraad, verkoop, forecasts, openstaande orders, ASN’s, ontvangsten en uitzonderingen.
In een samenwerkende supply chain ontstaat resultaat door de afstemming tussen leveranciers, retailers, producenten, 3PL’s en uitvoerende systemen. Een netwerkgerichte aanpak combineert daarom gedeelde gegevens, beslisregels, monitoring van gegevensstromen en aansluiting op magazijnprocessen, transport en klantenservice.
Het juiste model hangt af van de autonomie die de leverancier krijgt en de volwassenheid van de datahuishouding. Hoe meer de leverancier beslist, hoe robuuster de voorraadgrenzen, SLA’s, voorraadgegevens en EDI/API-integratie moeten zijn.
| Model | Besluit over bevoorrading | Voorraadeigendom | Belangrijkste uit te wisselen gegevens | Typische toepassing |
|---|---|---|---|---|
| VMI | Leverancier, volgens afgesproken voorraadgrenzen en regels | Klant of leverancier; eventueel consignatievoorraad, afhankelijk van het contract | Voorraad, verkoop/verbruik, forecasts, levertijden, verzendstatussen en ontvangsten | Artikelen met een regelmatige omloopsnelheid, retailnetwerken of industriële netwerken met meerdere locaties |
| SMI | Leverancier, met de benaming vanuit het perspectief van de afnemer | Afhankelijk van het contract | Verbruik, voorraadniveaus, min/max-grenzen en openstaande orders | Leveranciersgestuurde bevoorrading van componenten, verbruiksartikelen of regelmatig gebruikte onderdelen |
| GPA | Gedeelde regie van leverancier en retailer | Doorgaans vastgelegd in de commerciële voorwaarden | Voorraad, verkoop, forecasts, promoties, planningen, ASN’s en ontvangsten | Retail, FMCG, industrie en netwerken waarin voorraad en service tegen elkaar worden afgewogen |
| CMI | Leverancier doet een voorstel, klant keurt goed | Afhankelijk van de afspraken | Verkoop- en voorraadgegevens, ordervoorstel en bevestiging van de klant | Overgang naar VMI of beheer van kritieke artikelen en promotieartikelen |
| Pooling | Gecoördineerde besluitvorming tussen deelnemers aan de pool | Afhankelijk van de gedeelde middelen | Capaciteit, forecasts, deelbare voorraden, transportplannen en locatiebeperkingen | Gedeeld transport, gedeelde magazijnen, vooruitgeschoven voorraad of goederenstromen van meerdere leveranciers |
Het overzicht laat verschillende niveaus van samenwerkingsvolwassenheid zien. CMI kan als tussenstap dienen wanneer de klant nog niet klaar is om de besluitvorming volledig over te dragen. VMI en SMI vereisen meer vertrouwen in de gegevens en de beslisregels. GPA introduceert gedeelde regie en past vaak beter wanneer promoties, winkelbeperkingen, transportcapaciteit of serviceafwegingen overleg vragen.
Pooling voegt een netwerkdimensie toe: het gaat niet alleen om de vraag ‘wie vult de voorraad aan?’, maar ook om het beter benutten van gezamenlijke capaciteit. Het overzicht van 10 modellen voor gezamenlijk supplychainbeheer gaat verder in op deze varianten.
Kies VMI of SMI wanneer de vraag stabiel is, de gegevens betrouwbaar zijn en de bevoorradingsregels voldoende gestandaardiseerd zijn. Kies GPA wanneer beslissingen meer afstemming, goedkeuring of gezamenlijke afwegingen tussen leverancier en retailer vereisen.
VMI en SMI passen goed bij productgroepen met frequent, inzichtelijk en relatief voorspelbaar verbruik: FMCG, onderhoudsonderdelen, industriële verbruiksartikelen, verpakkingen, artikelen uit het vaste assortiment of componenten die op basis van voorraadgrenzen worden aangevuld. De leverancier kan de behoeften dan berekenen op basis van beschikbare voorraad, verbruik, levertijden en leveringsbeperkingen.
GPA verdient vaak de voorkeur wanneer forecasts, promoties, introducties, vervangende artikelen, klantprioriteiten of transportbeperkingen gedeelde regie vragen. Het model organiseert gestructureerd overleg tussen partijen, zonder terug te vallen op volledig handmatig voorraadbeheer.
Een robuust VMI-, SMI- of GPA-model vereist een gemeenschappelijke basis:
Leg deze regels vast vóór de technische implementatie. Een betrouwbare EDI-stroom compenseert geen onduidelijke bedrijfsregel. Omgekeerd werkt een goede regel niet als voorraad- of verkoopgegevens te laat binnenkomen.
Het overdragen van beslissingen aan de leverancier kan de operationele werklast van de klant verminderen, maar vergroot de afhankelijkheid van de aansturing door de partner. Leg in contracten vast wie toegang krijgt tot welke gegevens, wie verantwoordelijk is bij tekorten of overtollige voorraad, welke signaleringsgrenzen gelden, hoe goedkeuring plaatsvindt en welke terugvalscenario’s beschikbaar zijn als gegevensstromen uitvallen.
Betrek ook de 3PL’s bij het model. Wanneer een logistiek dienstverlener het magazijn of transport uitvoert, beschikt deze vaak over de meest actuele uitvoeringsgegevens: ontvangst, orderpicking, verzending, afwijkingen, dockcapaciteit of transporttijdsloten. Bij uitbestede netwerken kan de analyse van redenen om de supply chain uit te besteden helpen om de rollen af te bakenen.
EDI en API’s leveren de gegevens waarop beslissingen worden gebaseerd. Het Collaborative Network coördineert partners, gegevensformaten, controles en uitzonderingen. Zonder deze netwerklaag blijven VMI en GPA afhankelijk van verspreide bestanden en handmatige goedkeuringen.
Voor gezamenlijke bevoorrading moeten de gegevens zowel de aanvoer als de afzet dekken: voorraadniveaus, verkoop of verbruik, forecasts, promoties, openstaande orders, verzendstatussen, verzendberichten, ontvangsten, geschillen en logistieke parameters. GS1 omschrijft EDI als de elektronische uitwisseling van documenten in een gestructureerde, gestandaardiseerde taal, bruikbaar voor interne uitwisseling en voor uitwisseling met handelspartners.
API’s vullen EDI aan wanneer realtime inzicht, het opvragen van statussen of snelle applicatie-integratie nodig is. Grote netwerken combineren in de praktijk vaak EDI voor terugkerende, gestructureerde gegevensstromen met API’s voor inzicht, gebeurtenissen en bepaalde synchrone uitwisselingen.
De GS1/ECR-gids Best Practice in Implementing VMI, versie 1.0 van 15 april 2016, beschrijft gangbare uitwisselingen met INVRPT, SLSRPT, PROACT, DESADV, RECADV en INVOIC. De gids noemt onder meer dagelijkse uitwisseling van INVRPT bij levering aan een distributiecentrum, SLSRPT bij rechtstreekse levering aan winkels en PROACT voor FMCG.
In een VMI- of GPA-proces zijn doorgaans de volgende berichten het meest relevant:
In 2015 beschreef ECR Austria CPFR light en VMI als vormen van gezamenlijke bevoorrading die zijn gebaseerd op de uitwisseling van forecasts en planningsgegevens. Binnen die CPFR-light-context werd onder meer DELFOR gebruikt.
Een los portaal biedt een interface; een samenwerkingsnetwerk maakt opschaling mogelijk. Het beheert de onboarding van partners, mappings, protocollen, monitoring, afgewezen berichten, formaatconversies en de traceerbaarheid van gegevensstromen. Het EDI-netwerk van Generix omvat volgens de opgave voor juni 2026 meer dan 300 interconnecties, 50 landen, meer dan 3.000 B2B-mappings en meer dan 30 protocollen. Dit ondersteunt de multi-partnerarchitecturen die voor VMI/GPA-stromen nodig zijn.
Deze orkestratie is essentieel wanneer één leverancier meerdere retailers bedient, een 3PL een deel van de activiteiten uitvoert of ERP, WMS, TMS en OMS gesynchroniseerd moeten blijven. Het verbinden van deze schakels voorkomt dat gezamenlijke bevoorrading een reeks losse bestanden, e-mails en handmatige correcties wordt.
Een VMI-, SMI- of GPA-implementatie begint met de operationele scope. Daarna volgen de beslisregels, gegevensstromen, KPI’s en het schaalbaar aansluiten van partners. Technologie versnelt het model alleen als de verantwoordelijkheden al duidelijk zijn.
Begin met een realistische pilot: productgroepen met inzichtelijke vraag, representatieve locaties, betrokken leveranciers, beschikbare gegevens en aangesloten 3PL’s als de uitvoering is uitbesteed. Neem niet tegelijk te veel artikelen, gegevensformaten of landen op. De pilot moet aantonen dat het model werkt voordat u uitbreidt.
De afbakeningsvragen zijn eenvoudig, maar bepalend: welke artikelen, magazijnen, winkels of klanten vallen binnen de scope? Hoe vaak worden behoeften berekend? Wie is eigenaar van de voorraad? Welke voorraadgrenzen, levertijden en bronsystemen gelden? En hoe schakelt u bij een incident terug naar de vorige werkwijze?
Leg vervolgens de regels vast: gewenste voorraaddekking, veiligheidsvoorraad, minimale bestelhoeveelheid, afronding op logistieke eenheden, leverfrequentie, transportbeperkingen, promotiebeheer en goedkeuring van uitzonderingen. Deze regels moeten begrijpelijk zijn voor de supplychain-, verkoop-, logistieke en IT-teams.
KPI’s moeten gezamenlijk worden afgesproken en elkaar niet tegenwerken. Een leverancier die alleen op servicegraad wordt gestuurd, kan te veel voorraad opbouwen. Een klant die alleen op voorraadverlaging wordt gestuurd, kan de beschikbaarheid onder druk zetten. Breng daarom servicegraad, voorraadtekorten, voorraaddekking, omloopsnelheid, OTIF, het nakomen van tijdslotafspraken, geschillen en datakwaliteit in balans. Het e-book over gezamenlijke bevoorrading beschrijft praktische werkwijzen om deze afspraken uit te werken.
Opschalen betekent klantgegevens, rekenregels, EDI/API-stromen en supplychainuitvoering met elkaar verbinden. Generix Collaborative Replenishment gebruikt dagelijkse gegevens over voorraadniveaus en verbruik per artikel om de bevoorradingsbehoefte te berekenen en het proces aan te sluiten op de gegevensuitwisseling met partners.
Zo kan versnipperde leveranciersgestuurde bevoorrading overgaan in gezamenlijke regie: gedeelde gegevens, traceerbare beslissingen, bewaakte uitzonderingen en aansluiting op de uitvoering. In deze werkwijze stemmen leveranciers, retailers, producenten en 3PL’s hun beslissingen af, in plaats van ieder uitsluitend de eigen activiteiten te optimaliseren.
Bij de overgang van losse leveranciersuitwisselingen naar gezamenlijke bevoorrading is de koppeling tussen GPA, EDI/API en supplychainuitvoering een belangrijk beoordelingspunt. Beoordeel bij een oplossing zoals Generix Collaborative Replenishment hoe deze koppeling de afgesproken beslisregels, partneruitwisseling en uitvoering ondersteunt.
Samengevat
Bij VMI ligt de beslissing over bevoorrading nadrukkelijker bij de leverancier. Deze berekent de behoefte en zet bevoorrading in gang op basis van afgesproken voorraadgrenzen. Bij gezamenlijke bevoorrading (GPA) delen leverancier en retailer de regie, met gemeenschappelijke regels, eventuele goedkeuringsstappen en afspraken over uitzonderingen.
SMI staat voor Supplier Managed Inventory. Het is de benaming, vaak vanuit het perspectief van de afnemer, voor voorraad die door de leverancier wordt aangestuurd. Afhankelijk van de contracten en de sector ligt SMI zeer dicht bij VMI.
Het voorraadeigendom hangt af van het contract. De klant kan de voorraad bij ontvangst kopen, de voorraad kan tot het verbruik als consignatievoorraad eigendom van de leverancier blijven, of partijen kunnen een specifieke regeling afspreken.
GPA vereist minimaal voorraadniveaus, verkoop of verbruik, forecasts, openstaande orders, promoties, leverkalenders, verzendstatussen en ontvangsten. De kwaliteit, frequentie en traceerbaarheid van deze gegevens zijn even belangrijk als de hoeveelheid gegevens.
Veelgebruikte berichten zijn INVRPT voor voorraad, SLSRPT voor verkoop, PROACT voor productactiviteit, ORDRSP of een ordervoorstel, DESADV voor het verzendbericht, RECADV voor ontvangst en INVOICE/INVOIC, afhankelijk van de administratieve scope.
Ja, mits leverancier, klant en logistiek dienstverlener hun verantwoordelijkheden contractueel vastleggen. De 3PL kan een sleutelrol spelen in de uitvoering en het inzicht over meerdere klanten: ontvangst, beschikbare voorraad, orderpicking, verzending, geschillen en operationele capaciteit.
Bij VMI neemt de leverancier de bevoorradingsbeslissing. Bij CMI, oftewel Co-managed Inventory, stelt de leverancier een order voor die de klant goedkeurt. CPFR omvat bredere gezamenlijke planning en forecasting en gaat dus verder dan alleen het initiëren van bevoorrading.
Nee, pooling draait vooral om het delen van middelen, voorraad, transport of capaciteit tussen meerdere partijen. Het kan GPA aanvullen, bijvoorbeeld door leveringen of gedeelde voorraden te optimaliseren, maar vervangt de gezamenlijke regie over bevoorrading niet.

Volg 15 magazijn-KPI’s met vaste formules, passende meetfrequenties en indicatieve alarmgrenzen. Koppel elke afwijking aan een concrete operationele actie.

Bouw een veerkrachtige supply chain met inzicht in afhankelijkheden, gerichte alternatieven en geteste herstelplannen. Gedeelde data helpen partners sneller en beter te beslissen.

Werk samen met ons team om uw ideale supply chain softwarepakket samen te stellen en pas deze aan uw unieke bedrijfsbehoeften aan.